WP 24 Strafworpen

WP 24 Strafworpen

24.1

Een strafworp wordt genomen door een willekeurige speler van het team aan wie de strafworp is toegekend, vanaf een willekeurig punt van de 5-meterlijn van de tegenpartij.

24.2

Alle spelers verlaten het 5-metergebied en bevinden zich op tenminste 2 meter afstand van de speler die de strafworp neemt. Aan iedere kant van de speler die de strafworp neemt, zal het eerst een speler van het verdedigende team de gelegenheid krijgen positie te kiezen. De verdedigende doelverdediger stelt zich op tussen de doelpalen met geen enkel lichaamsdeel dat zich boven water bevindt over de doellijn. Zou de doelverdediger uit het water zijn, dan mag een andere speler de plaats van de doelverdediger innemen maar zonder diens voorrechten en beperkingen.

24.3

Als de scheidsrechter, die de strafworp laat nemen, zich ervan heeft overtuigd dat de spelers zich op de juiste plaats bevinden, geeft hij met een fluitsignaal en het gelijktijdig omlaag bewegen van zijn arm van een verticale naar een horizontale stand aan, dat de worp genomen kan worden.

[Opmerking: Het gelijktijdig naar beneden bewegen van de arm met het geven van het fluitsignaal maakt het onder alle omstandigheden mogelijk, zelfs te midden van het lawaai van de toeschouwers, om de worp uit te voeren overeenkomstig de spelregels. Wanneer de arm wordt geheven zal de speler die de worp neemt zich concentreren, omdat hij weet dat het fluitsignaal onmiddellijk daarop zal volgen.]

24.4

De speler die de strafworp gaat nemen moet in balbezit zijn en gooit ogenblikkelijk in een ononderbroken beweging rechtstreeks naar het doel. De speler kan het nemen van de worp beginnen met het uit het water tillen van de bal (figuur 23) of door de bal in de geheven hand te houden (figuur 24). De bal mag naar achteren bewogen worden als voorbereiding op een voorwaartse worp echter onder de voorwaarde dat de doorgaande beweging niet onderbroken mag worden alvorens de bal de hand van de nemer verlaat.

[Opmerking: Er staat niets in de spelregels dat de speler belet om de strafworp met zijn rug naar het doel te nemen en zich daarbij te bedienen van een halve of hele draai.]

Figuur 23

Figuur 24

24.5

Als de bal van de doelpalen, dwarslat of de doelverdediger terugspringt, blijft hij in het spel en is het niet nodig dat een andere speler de bal nog speelt of aanraakt voordat er een doelpunt kan worden gemaakt.

24.6

Als precies op hetzelfde moment dat de scheidsrechter een strafworp toekent de tijdopnemer fluit voor einde van de speelperiode, dan moeten alle spelers behalve de speler die de strafworp neemt en de verdedigende doelverdediger het water verlaten voordat de strafworp genomen wordt. In dit geval is het spel onmiddellijk beëindigd indien de bal terugstuit van de doelpalen, doellat of de doelverdediger.